Orthodontie

Ieder jaar hebben zo’n 125.000 mensen, waarvan de meeste kind zijn, een beugel nodig. Die wordt vaak aangemeten door een speciale tandarts, de orthodontist. Hij houdt zich bezig met begeleiding en behandeling van de groei van de kaken en het gebit. Bij het eerste bezoek wordt bepaald of het nodig is om in te grijpen. Als je aan een beugel toe bent, maakt de orthodontist een afdruk van je boven- en ondertanden. Daarvoor moet je in een soort papje happen. Ook worden er (röntgen) foto’s van je gebit gemaakt. Zo is te zien welke beugel voor jou het meest geschikt is.
Een beugel, die regelmatig moet worden bijgesteld, trekt of duwt je tanden in de goede richting. Je krijgt die als de tanden naar voren staan of als je tanden en kiezen niet goed op elkaar passen. De beugel zorgt ervoor dat deze rechter komen te staan. Daardoor kun je beter kauwen en is het ook gemakkelijker om je tanden goed te poetsen. Dat je mond er met rechte tanden er ook mooier uitziet, is een extra voordeel.
De eerste dagen en nadat die is bijgesteld, is het een vreemd gevoel dat er een beugel in je mond zit. Ook kunnen je tanden en kiezen wat pijn doen, maar dit gaat allemaal vrij snel over. Als je een beugel draagt, kun je niet alles eten en drinken wat je lekker vindt. Je kunt niet van plakkerige dingen zoals dropjes en toffees snoepen. Ook kun je beter geen kauwgum en frisdrank met veel suiker gebruiken. Door de suiker in al deze producten krijg je tandplak, waardoor de kans op gaatjes groter is. Hoewel je daarvoor soms een speciale borstel nodig hebt, kun je ook met een beugel gewoon je tanden poetsen.